Voorbeelden Fase 2 oriënterend onderzoek

Voorbeeld 1

Fase 2 van het oriënterend onderzoek kan worden uitgevoerd als:

  • het onderzoeksgebied is nog niet of slechts gedeeltelijk eerder onderzocht;
  • er is wel (algemeen) bekend dat er in een gebied hoogstwaarschijnlijk geen of weinig oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden.

In grote delen van Nederland is dit het geval, met name in de noordelijke delen van het land. Het is dan de inschatting van de opdrachtgever dat de afwezigheid van aanwijzingen voor OO in het gebied afdoende kan worden aangetoond in fase II van het oriënterend onderzoek en dat een uitgebreider onderzoek zoals een vooronderzoek OO niet noodzakelijk is.

Dit scheelt tijd en kosten. Belangrijk is wel dat in het onderzoek voldoende en relevante bronnen worden geraadpleegd om een dergelijke verwachtingsuitspraak te kunnen doen. Als opdrachtgever kun je hier invloed op uitoefenen, door te eisen dat specifieke belangrijke bronnen worden geraadpleegd.

Voorbeeld 2

Het kan ook voorkomen dat van tevoren juist wordt voorzien dat een te onderzoeken gebied waarschijnlijk wel kan worden beschouwd als ‘verdacht’ op de aanwezigheid van OO in de bodem.

Bijvoorbeeld omdat algemeen bekend is dat er in het gebied heel veel gevechtshandelingen hebben plaatsgevonden. Ook in zo’n geval is het niet altijd noodzakelijk om een uitgebreid onderzoek uit te voeren om deze conclusie aan te tonen en kan het uitvoeren van Fase II van het oriënterend onderzoek afdoende zijn.

Het kan bijvoorbeeld voldoende zijn om door middel van een luchtfoto uit de oorlogsperiode aan te tonen dat een gebied zwaar is getroffen door artilleriebeschietingen. Hierdoor kan het uitvoeren van nader onderzoek om de verdachte status aan te tonen worden overgeslagen en al direct worden overgegaan op een andere vorm van OO-vervolgonderzoek.

Kanttekeningen

Als opdrachtgever is het belangrijk om te beseffen dat het overslaan van verder bureauonderzoek in voorbeeld 2 zowel voordelen als nadelen kan hebben.

Een voordeel is tijdwinst en het besparen van kosten. Want in plaats van nog een bureaustudie uit te voeren om aan te tonen dat een locatie verdacht is, kan gelijk worden overgegaan op opsporing of andere passende maatregelen.

Dit kan bijvoorbeeld een goede optie zijn wanneer de uit te voeren gebiedsontwikkelingen relatief eenvoudig zijn. Zoals het graven van een kabelsleuf. In dat soort gevallen kan het efficiënter zijn om opsporing uit te voeren in plaats nog meer bureauonderzoek. Want in veel gevallen is alsnog opsporing noodzakelijk.

Het overslaan van verder bureauonderzoek betekent ook dat bepaalde zaken niet worden uitgezocht. Zoals de invloed van naoorlogse ontwikkelingen in een gebied en de verticale afbakening van het verdachte gebied.

Het kan in bepaalde gevallen juist verstandig zijn wél een nader onderzoek uit te voeren om zo exact vast te stellen welke bodemlagen (nog) verdacht zijn. Bijvoorbeeld in het geval van complexe gebiedsontwikkelingen of ontwikkelingen in een gebied dat sinds de bevrijding intensief is ontwikkeld.

Als bijvoorbeeld bodemingrepen tot grote diepte moeten worden uitgevoerd, is het wenselijk te weten tot welke diepte de bodem precies verdacht is om te voorkomen dat er onnodig diep onderzocht moet worden.

Je kan soms vooraf voorzien dat een gebied door naoorlogse ontwikkelingen mogelijk niet meer verdacht is. Dan kan het lonen dit eerst uit te zoeken voordat er kosten worden gemaakt voor opsporing die eigenlijk niet nodig zijn.