Kennis over explosieven uit Tweede Wereldoorlog op één plek

Het is een langgekoesterde wens van veel gemeenten: halverwege 2021 opent het landelijke kenniscentrum over het omgaan met explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Gemeenten kunnen met deze kennis vervolgens bijdragen aan het veilig uitvoeren van werkzaamheden in de bodem. Kwartiermakers Remco de Boer en Berry van ‘t Wel (Rijkswaterstaat) en afnemer Joost Martens (gemeente Rotterdam) leggen uit waarom het nieuwe kenniscentrum een belangrijke stap vooruit is.

75 jaar na de Tweede Wereldoorlog bevat de Nederlandse bodem nog steeds een groot maar onbekend aantal conventionele explosieven of ontplofbare oorlogsresten, zoals ze ook wel genoemd worden. Van alle explosieven die in de Tweede Wereldoorlog zijn afgeschoten of afgeworpen, was ongeveer 10% een blindganger; daarvan ligt naar schatting nog een aanzienlijk deel in de bodem. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat deze conventionele explosieven geen risico vormen voor de openbare orde en veiligheid; de Explosieven Opruimingsdienst EOD doet de ruiming. In de praktijk beschikken veel gemeenten niet over de specifieke kennis die nodig is voor het omgaan met deze explosieven. Met het Kenniscentrum Conventionele Explosieven (KCE) ondersteunt Rijkswaterstaat, in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), gemeenten hierbij. Dat Rijkswaterstaat deze taak uitvoert, komt doordat de organisatie brede kennis heeft van de Nederlandse bodem. Kwartiermakers Remco de Boer en Berry van ’t Wel zorgen voor een soepele lancering van het KCE. ‘Wij zorgen ervoor dat alles organisatorisch op orde is.’

3 kerntaken

Het KCE heeft 3 kerntaken. ‘Het is ten eerste een vraagbaak’, vertelt Van ’t Wel. ‘We sparren veel met gemeenten en bundelen kennis. Er komt een website en we richten een helpdesk in. Maar het KCE gaat ook onderzoek doen naar specifiekere vraagstukken om zo bestaande kennis aan te vullen.’ De Boer verwacht veel animo voor deze tweede kerntaak: het onderzoeksprogramma. De projecten die hieruit voortvloeien, vullen ontbrekende kennis aan en leiden hopelijk tot lagere kosten voor gemeenten.

De derde functie van het KCE is het opstellen van een afwegingskader. ‘Gemeenten kunnen dit afwegingskader gebruiken om een beslissing te nemen over het wel of niet ruimen van explosieven’, vervolgt De Boer. ‘Dankzij het KCE is er voor gemeenten straks 1 centrale plek voor de kennis over het opsporen van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog’, vult Van ’t Wel aan. ‘Hierdoor hoeven gemeenten niet telkens het wiel opnieuw uit te vinden en is er meer afstemming en duidelijkheid over de te volgen werkwijzen.’

Langgekoesterde wens

‘We graven relatief veel in de Nederlandse bodem en kennis van mogelijke explosieven is dus essentieel’ Joost Martens, adviseur Beheer Ondergrond bij de gemeente Rotterdam, beaamt de langgekoesterde wens van gemeenten voor een kenniscentrum: ‘Er ligt een grote verantwoordelijkheid bij gemeenten om werkzaamheden in de bodem, waar mogelijk nog ontplofbare oorlogsresten in liggen, efficiënt en veilig te ondersteunen. Maar er ontbreekt kennis van explosieven in de bodem en een centrale aanpak hoe hiermee om te gaan. Zeker voor een gemeente als Rotterdam is het belangrijk om ontplofbare oorlogsresten goed in kaart te hebben. Naar schatting zijn er in onze gemeente 8.000 bommen gevallen, waarvan er grofweg 800 niet zijn afgegaan. Van deze “blindgangers” is een groot deel al geruimd, maar geheel vrij van oorlogsresten is onze bodem nog niet. Hoewel de kans op ontploffing zeer klein is, proberen we de risico’s nog verder te verkleinen. Tegelijkertijd graven we relatief veel in de Nederlandse bodem, bijvoorbeeld voor wegen- en woningbouw, en is kennis van mogelijke explosieven in de bodem dus essentieel. De gecentraliseerde kennis van het KCE ondersteunt gemeenten bij hun taak.’

Klankbordgroep

Samen met een aantal andere gemeenten richtte Martens 10 jaar geleden het platform Blindgangers op. Leden van het platform participeren in de klankbordgroep voor de kwartiermakersfase van het kenniscentrum. Rijkswaterstaat werkt nauw samen met de gemeenten en put veel kennis uit de vragen waar zij én opdrachtgevers in de grond-, weg- en waterbouw tegenaan lopen.

Bijvoorbeeld: welke maatregelen moeten gemeenten nemen bij het ontruimen van een gebied? Wat zijn de gebruikelijke kosten? Wie is er juridisch verantwoordelijk voor mogelijke schade? En van wie is de opgegraven bom eigenlijk?

Maar ook: zijn het de kosten en de energie waard in verhouding tot wat het oplevert? Martens kijkt uit naar de lancering van het KCE. ‘Dat is al een enorme stap vooruit. Ook voor grotere opdrachtgevers die tegen vraagstukken op het gebied van explosieven aanlopen, is dit kenniscentrum interessant. Er is al veel kennis, maar er valt nog een wereld te winnen. Door kennis te blijven delen en nauw samen te werken, bouwen we het centrum samen op. Ik zal er zeker een glas champagne op drinken als het zover is!’

Bron: Rijkswaterstaat magazine